Jaap van Slooten begon in 1992 als advocaat op de Zuidas en is al sinds 2003 hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Waar hij zijn carrière begon met het behandelen van ontslagzaken, houdt hij zich tegenwoordig als partner bij Stibbe vooral bezig met complexe zaken over de inrichting van de arbeidsmarkt. Terugkerende thema’s voor Van Slooten zijn platformwerk, vakbonden en de grens tussen werknemerschap en zelfstandigheid. Wij spraken met de advocaat over de veranderende functie van het arbeidsrecht en de juridische vraagstukken die hierbij ontstaan.
Collectieve belangen vaker in de rechtszaal
Volgens Van Slooten heeft het arbeidsrecht altijd al een collectief karakter gehad. Dit komt onder meer tot uiting in vakbonden die cao’s sluiten, staken en de belangen van werknemers behartigen. Hij merkt wel op dat er een verschuiving plaatsvindt in de manier waarop werknemers deze collectieve belangen behartigen. Rechtszaken namens grote groepen werknemers lijken belangrijker te worden, terwijl het aantal leden van vakbonden juist langzamerhand afneemt. Vooral bij zaken omtrent platformwerkers ziet hij dat het niet alleen om individuele werknemers gaat. Via collectieve procedures proberen vakbonden bredere veranderingen op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen.
‘Je wilt gewoon, als werkgever of als beklaagde, dat we het over de zaak zelf hebben’
Van Slooten merkt op dat dergelijke collectieve procedures een technischer karakter hebben gekregen door de invoering van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve procedure (WAMCA). De rechter beoordeelt eerst of de belangenorganisatie aan verschillende formele eisen voldoet, vastgelegd in de WAMCA. Hij vindt het onwenselijk dat partijen jarenlang over formele vereisten procederen, voordat de inhoud van het geschil überhaupt aan bod komt. Van Slooten ziet liever dat partijen sneller toekomen aan die inhoudelijke arbeidsrechtelijke discussie. ‘Je wilt gewoon, als werkgever of als beklaagde, dat we het over de zaak zelf hebben.’
De complexiteit van de kwalificatie van platformmedewerkers
Van Slooten heeft in zijn loopbaan veel grote zaken behandeld waarin de kwalificatie van platformmedewerkers een rol speelde. Zo was hij als advocaat onder andere betrokken bij de Uber- en Temperzaken. In dergelijke zaken is de hoofdvraag vaak of iemand een werknemer of zelfstandige is. Volgens de advocaat is het in de praktijk lastig om dergelijke groepen werkenden één juridische status toe te kennen. De ene platformmedewerker werkt vrijwel volledig via één platform, terwijl een ander daarnaast meerdere opdrachtgevers of werkzaamheden heeft. ‘Je kunt niet iedereen over één kam scheren’, benadrukt hij. Ook het opdelen van deze werkenden in categorieën biedt niet altijd uitkomst, omdat zulke groepen in de praktijk kunnen overlappen of intern weer verschillen.
Wie biedt duidelijkheid: rechter of wetgever?
Naast het voorgaande ziet Van Slooten bij platformwerk een fundamenteler probleem: wie lost de onduidelijkheid over de grens tussen werknemer en zelfstandige op? ‘De wetgever vraagt eigenlijk voortdurend te veel van de rechter door de kwalificatievraag bij hem neer te leggen.’ De gevolgen hiervan worden volgens hem juist gevoeld door de partijen op de arbeidsmarkt. Zo weten werkgevers niet altijd welk risico zij nemen wanneer zij met zelfstandigen werken en weten zelfstandigen evenmin waar zij aan toe zijn. Die onzekerheid kan ertoe leiden dat bedrijven bepaalde risico’s uit voorzorg helemaal niet meer willen nemen.
‘Die hele onzekerheid over die kwalificatie leidt tot economische schade’
Deze onzekerheid raakt volgens Van Slooten aan een bredere vraag over de functie van het arbeidsrecht. ‘Die hele onzekerheid over die kwalificatie leidt tot economische schade.’ Het valt hem op dat de werknemersbescherming op sommige onderdelen wellicht te ver is doorgeschoten. Zijn inzet voor werkgevers heeft hem inzicht gegeven in belangen die vanuit een klassieke benadering van het arbeidsrecht minder snel zichtbaar zijn. De belangen van de werkgever liggen volgens hem dan ook niet alleen bij het vergroten van de winst voor de aandeelhouders. Ook de belangen van de werknemers, de werkgelegenheid en een goed functionerende organisatie spelen een rol. Een doorgeschoten wettelijke bescherming van werknemers kan dus ook voor henzelf nadelig uitpakken, aldus Van Slooten.
Meer vrijheden binnen de relatie tussen werkgever en werknemer
Van Slooten vindt dat het arbeidsrecht niet louter een beschermende, maar ook een economische ordeningsfunctie heeft. ‘Het hele vak is ontstaan vanuit de emancipatiegedachte.’ De emancipatie en de bescherming van de werknemer blijven volgens hem belangrijk, maar hij ziet het als een teken van groei als rechtswetenschappers ook andere belangen onderzoeken. Zo noemt hij als voorbeeld een onderzoek naar interne flexibiliteit binnen contracten. Daarbij staat de vraag centraal hoeveel ruimte werkgevers hebben om werknemers binnen een organisatie van functie te laten veranderen of arbeidsvoorwaarden aan te passen wanneer de economische omstandigheden veranderen.
‘Een hele grote groep wil juist heel graag zelfstandig zijn’
Voor de toekomst ziet Van Slooten met name een uitdaging in de toenemende behoefte die werkenden hebben aan autonomie. Een aanzienlijke groep zzp’ers kiest volgens hem bewust voor zelfstandigheid, onder meer vanwege de vrijheid die daarbij hoort. ‘Een hele grote groep wil juist heel graag zelfstandig zijn.’ Hij zou daarom meer ruimte willen creëren voor autonomie binnen een arbeidsovereenkomst. Zo kunnen werkenden meer vrijheid krijgen zonder buiten collectieve voorzieningen als pensioen en sociale zekerheid te vallen. Dat is volgens hem ook van belang voor de solidariteit binnen het stelsel. Van Slooten sluit af met een tip aan rechtenstudenten. Volgens hem zit het verschil tussen een bekwame en een uitmuntende arbeidsrechtjurist in het kunnen zien van de economische en maatschappelijke belangen achter het recht, en in het begrijpen waarom deze regels bestaan.


