Een baan als professioneel kok: ooit was het de jongensdroom van Martijn Snoep. Tot hij op een Amerikaanse high school in de debatteerclub terechtkwam en te horen kreeg dat de advocatuur wat voor hem zou zijn. Een treffende suggestie, zo bleek. Snoep werkte achtentwintig jaar als mededingingsadvocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek, waarvan de laatste zes als partner. Acht jaar geleden gooide hij het roer om en werd hij bestuursvoorzitter bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Wij spraken hem over zijn loopbaan en wat hem tot de overstap van advocaat naar toezichthouder bewoog.
Debatteren in de VS
Snoep vertrok na zijn eindexamen een jaar naar een Amerikaanse high school. Daar was debatteren een belangrijk onderdeel van de cultuur. ‘De mensen die populair waren, waren óf heel goed in sport, óf zaten in de debatclub.’ Aangezien sport niet zijn sterkste kant was, koos Snoep voor het laatste. Niet altijd even simpel: Engels was niet zijn moedertaal en op Nederlandse middelbare scholen is er lang niet zoveel aandacht voor retorica. Zijn eerste debat staat hem dan ook nog scherp bij. ‘Ik stamelde, mijn keel zat helemaal dicht en ik moest al na een minuut of twee opgeven.’ Toch werd daar volgens Snoep met een typisch Amerikaanse spirit op gereageerd. ‘De volgende ronde gewoon nog een keer proberen.’
‘Die vaardigheden heb ik nooit meer verleerd’
Snoep zette door. Iedere week ging het beter, tot hij uiteindelijk zelfs meedeed aan het hoogste toernooi van de staat. ‘Die vaardigheden heb ik nooit meer verleerd.’ Toen juryleden bij een wedstrijd opperden dat hij advocaat zou moeten worden, raakte hij geïnspireerd. Hij keerde terug naar Nederland om aan de Erasmus Universiteit aan zowel rechten als economie te beginnen. Het modelmatige en rekenkundige werk van de economische vakken maakte dat een zware combinatie. In het recht zat Snoep daarentegen – zoals de jury al had voorspeld – uitstekend op zijn plek. Economie liet hij uiteindelijk vallen, maar zijn economische interesse bleef. Eind jaren tachtig was de Europese eenwording van de interne markt in volle gang. ‘Ik raakte begeesterd door het Europees recht.’
Geen droog brood
Aanvankelijk was Snoep niet van plan om bij een groot kantoor te beginnen. Sterker nog: hij wilde zijn eigen advocatenkantoor oprichten. ‘En wel zo snel mogelijk.’ Maar dat bleek ingewikkelder dan gedacht. Tijdens zijn studie ontdekte hij dat het verplicht is om eerst advocaat-stagiair te worden. ‘Toen dacht ik: dan loop ik eerst wel stage en ga ik daarna mijn eigen kantoor beginnen.’ Over bij welk kantoor hij stage wilde lopen, had hij nog niet lang nagedacht. Uiteindelijk rolde hij bij toeval De Brauw binnen. Na een tentamen Europees recht kreeg Snoep van de hoogleraar, tevens partner bij De Brauw, het aanbod zijn student-assistent te worden. ‘En ik ben eigenlijk nooit meer weggegaan.’ Bij De Brauw begon Snoep in een brede Europeesrechtelijke praktijk. ’Ik dacht niet: ik ga specialiseren in het mededingingsrecht. Ik specialiseerde in het Europees recht.’ Pas later legde hij zich toe op mededingingsrecht, destijds een allesbehalve vanzelfsprekende keuze.
‘Toen ik die beslissing nam, dachten mensen: daar kan je nog geen droog brood mee verdienen.’
Juist omdat het mededingingsrecht toen nog zo’n klein rechtsgebied was, zag Snoep echter de ruimte om zich erin te onderscheiden. ‘Toen ik die beslissing nam, dachten mensen: daar kan je nog geen droog brood mee verdienen.’ Het rechtsgebied bleek hem goed te passen. Het bevindt zich volgens Snoep op het snijvlak van recht, economie en maatschappij. Dat maatschappelijke aspect begon in zijn rol als advocaat uiteindelijk te wringen. ‘Als advocaat verdedig je het belang van iemand, maar je doet niet per se wat goed is voor de samenleving.’ En juist daar wilde Snoep zich mee bezighouden. ‘Ik wilde graag gewoon doen wat ik denk dat goed is voor de samenleving.’ Hij zegde zijn partnerschap bij de Brauw op, zonder te weten wat de volgende stap zou zijn. Toen de ACM op zijn pad kwam, bleek dat precies de rol te zijn die hij zocht: ‘Dit past me als een handschoen.’
Meer dan boetes
Toezichthouden verschilt wezenlijk van de advocatuur. Allereerst is het volgens Snoep multidisciplinair werk. Juristen werken er samen met experts uit allerlei vakgebieden. Ten tweede wordt bij toezichthouden getracht om de waarheid vast te stellen, waarna je die kwalificeert en sanctioneert. ‘Wat dat betreft lijkt het erg op rechterswerk’ aldus Snoep, tevens raadsheer-plaatsvervanger in Amsterdam. ‘’Maar we zijn niet de hele tijd op zoek naar overtredingen.’ Volgens Snoep gaat het er vooral om hoe markten functioneren. Werken ze goed, dan laat de ACM ze met rust. Werken ze niet goed, dan kijkt de autoriteit welke interventie nodig is om de markt de goede kant op te bewegen. ‘Soms is dat handhaving, maar vaak ook voorlichting of ander toezicht.’
‘Je hoeft geen jurist te zijn om toezichthouder te zijn.’
De ACM voert haar zaken zelf, waardoor jonge juristen al snel proceservaring kunnen opdoen. ‘Een van de leuke aspecten voor juristen die bij ons werken is dat je al vrij vroeg zelf naar de rechtbank gaat.’ Met haar 850 medewerkers is de ACM bovendien een van de grootste Europese mededingingsautoriteiten: naast mededinging houdt zij toezicht op consumentenbescherming en sectoren als energie, telecom en vervoer. Daarvoor heeft de organisatie veel expertise in huis. ‘Je hoeft geen jurist te zijn om toezichthouder te zijn: bij de ACM kijken economen, gedragspsychologen en datawetenschappers net zo goed mee.’


