Als volkenrechtelijk adviseur en hoofd van de afdeling Internationaal Recht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken beweegt René Lefeber zich al jaren op het hoogste niveau van het internationaal recht. Namens Nederland was hij betrokken bij zaken rond MH17 en bij adviesprocedures over klimaatverandering bij het Internationaal Gerechtshof (IGH). Daarnaast is hij hoogleraar internationaal milieurecht aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Daar deelt hij zijn praktijkervaring met studenten. Wij spraken hem over zijn indrukwekkende loopbaan, de drie pijlers van zijn werk en de overtuiging die hem drijft.
Van de collegezaal naar Buitenlandse Zaken
Lefeber begon zijn carrière als assistent in opleiding aan de UvA. Daar werkte hij aan zijn proefschrift over staatsaansprakelijkheid voor grensoverschrijdende milieuschade. Na zijn promotie bleef hij actief als docent, maar er ontbrak iets. ‘Wat ik aan studenten kon overbrengen was gebaseerd op wat ik las uit boeken, en dat vond ik niet bevredigend.’ Hij besloot daarom de praktijk op te zoeken, zonder de academie los te laten. Eerst trad hij in dienst bij het Ministerie van Economische Zaken. Daarna vervolgde hij zijn loopbaan bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Daar ontwikkelde hij zijn affiniteit met internationaal milieurecht verder. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kwam via zijn promotor in beeld, die inmiddels hoofd was van de afdeling Internationaal Recht. Toen hij Lefeber op een vacature wees, bleek hoe belangrijk die band was gebleven. ‘In feite is het een soort mentorschap geweest.’
De drie pijlers van Lefebers werk
Lefeber is al tien jaar hoofd van de afdeling Internationaal Recht bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar kent zijn werk drie pijlers: adviseren, onderhandelen en procesvoeren. Als volkenrechtelijk adviseur adviseert hij in de eerste plaats de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze rol heeft een bijzondere bevoegdheid gekregen na de Irakoorlog. De Commissie-Davids onderzocht destijds de Nederlandse politieke steun aan die oorlog en concludeerde dat daarvoor geen volkenrechtelijk mandaat bestond. Een juridisch advies over de kwestie bereikte de minister destijds niet, maar belandde achter in een bureaulade. Naar aanleiding van het onderzoek van de Commissie kan de volkenrechtelijk adviseur de ministers rechtstreeks adviseren, buiten de gebruikelijke ambtelijke hiërarchie om. ‘Nu kan ik gewoon een nota schrijven en die direct op hun bord leggen.’
‘Dat is echt forward-looking, je probeert nieuw recht te maken.’
In zijn onderhandelingswerk richt Lefeber zich al jaren op het internationaal recht rond oceanen, de kosmische ruimte en de poolgebieden. Vooral het vormgeven daarvan spreekt Lefeber aan: ‘Het mooiste is het maken van nieuwe regels’. Zo leidde hij binnen het Antarctisch Verdrag een werkgroep over het sterk groeiende toerisme op het zuidpoolcontinent. ‘Dat is echt forward-looking, je probeert nieuw recht te maken.’ Ook was hij covoorzitter bij de totstandkoming van het Nagoya-Kuala Lumpur Protocol. Dit was een achtjarig onderhandelingsproces waarin meer dan 150 landen overeenstemming bereikten over aansprakelijkheid voor schade aan biologische diversiteit door genetisch gemodificeerde organismen. Volgens Lefeber lag dat onderwerp gevoelig omdat er veel politieke belangen meespelen en aansprakelijkheidskwesties al snel over grote bedragen gaan. Juist daarom was het bijzonder dat zoveel landen samen tot een resultaat kwamen.
‘Dat doen we niet in het Nederlandse belang, maar dat doen we in het algemeen belang’
De derde pijler is procesvoering. Daarbij neemt Lefeber vooral deel aan interstatelijke procedures en investeringsarbitrage. Een van de belangrijkste zaken is de MH17-zaak. Juist als het Nederlandse belang zo duidelijk is, geeft het Lefeber veel voldoening. Tegelijk wijst hij op een bredere ontwikkeling in het internationaal recht: steeds vaker beginnen staten procedures in het belang van de internationale gemeenschap. Nederland doet dit samen met Canada onder het Antifolterverdrag in de zaak tegen Syrië. In deze zaak komt Nederland op voor slachtoffers van marteling in Syrië. ‘Dat doen we niet in het Nederlandse belang, maar in het algemeen belang.’ Daarnaast zet Nederland zich, samen met andere landen, in voor vrouwen en meisjes in Afghanistan wier rechten momenteel onder druk staan. ‘Het is een mooie ontwikkeling dat het Internationaal Gerechtshof staten toestaat in het algemeen belang te procederen,’ aldus Lefeber.
Nationale vertegenwoordiging
Voor het IGH treedt Lefeber op als vertegenwoordiger van Nederland. ‘Het is natuurlijk heel bijzonder om daar te staan, maar ook spannend.’ Anders dan bij arbitrageprocedures krijgen partijen bij het IGH nauwelijks vragen en draait het vooral om het voordragen van pleitnota’s. Volgens Lefeber is dat verklaarbaar: ‘Je vraagt wel heel veel aan iemand die een staat vertegenwoordigt om direct maar te antwoorden terwijl het gaat over staatsbelangen’. Juist omdat hij daar niet alleen als jurist staat, maar ook als vertegenwoordiger van de Nederlandse staat, vraagt dat om zorgvuldigheid.
Truth, justice and accountability
Wat Lefeber drijft, vat hij samen als truth, justice and accountability. Hij wil blijven zoeken naar deze waarden, vooral in een tijd waarin feiten worden betwist en sommige staten hun handelen ontkennen. Hoewel het internationaal recht zich tussen staten afspeelt, benadrukt hij dat mensen daar niet het slachtoffer van mogen worden. ‘Uiteindelijk is recht bedoeld om mensen en samenlevingen te dienen.’ Dat sluit aan bij wat hij studenten wil meegeven: recht is niet statisch, maar ontwikkelt zich voortdurend mee met de samenleving. Juist daarom moeten juristen niet alleen problemen aanwijzen, maar ook naar oplossingen zoeken. Zijn boodschap is duidelijk: ‘Word alsjeblieft een jurist die problemen oplost voor de samenleving’.


