Profilerende platte petten: het debat over etnisch profileren

Website format

Het wordt ook wel the Dutch Paradox genoemd: etnisch profileren. Hoe kan in ons land een ondubbelzinnig verbod op discriminatoir handelen gelden, maar de naleving hiervan in de praktijk te wensen overlaten? De discussie over etnisch profileren laaide in 2009 op, toen Open Society Justice Initiative wetenschappelijk bewijs publiceerde voor etnisch profileren binnen het politieoptreden. Ook de staandehouding van rapper Typhoon in 2016 maakte zichtbaar dat deze praktijk niet slechts een abstract juridisch probleem is. Toch blijft etnisch profileren moeilijk te grijpen: het is lastig te definiëren, beperkt onderzocht en juridisch weerbarstig. Daarom rijst niet alleen de vraag waarom het probleem zo moeilijk te bestrijden is, maar ook welke oplossingen wél perspectief bieden. 

Het verbod op discriminatoir overheidshandelen is onder andere vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet. Gelijke gevallen dienen gelijk te worden behandeld en discriminatie, op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Artikel 14 EVRM en de rechtspraak van het EHRM verbieden eveneens dit ongerechtvaardigde onderscheid. Waar de lijn tussen een onderscheid en etnisch profileren ligt, is niet universeel gedefinieerd. Volgens het VN-comité dat toeziet op de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie zijn telkens vier elementen te onderscheiden. Etnisch profileren is een optreden door rechtshandhavers zonder objectieve rechtvaardiging, gebaseerd op kenmerken als ras, huidskleur, afkomst of nationale dan wel etnische herkomst. Dit speelt vooral bij migratiecontrole, criminaliteitsbestrijding en antiterrorismemaatregelen. 

Desalniettemin zijn er meer omschrijvingen van etnisch profileren beschikbaar. De veelheid aan definities toont hoe dynamisch en complex het begrip is. De grens tussen geoorloofd profileren en discriminatoir overheidshandelen is hierdoor niet altijd scherp. Dat maakt wetenschappelijk onderzoek ook ingewikkeld. Zo liepen Wouter Landman en Lianne Kleijer-Kool in 2016 dertig dagen mee met de politie, waarin zij 272 beslissingen tot wel of niet ingrijpen observeerden. Zij konden niet concluderen dat burgers met zichtbare etnische kenmerken onevenredig vaak werden staande gehouden. Tegelijkertijd erkenden zij dat niet-Nederlandse burgers dikwijls door de politie worden aangehouden zonder objectieve rechtvaardiging. Of dit onder etnisch profileren valt, is lastig vast te stellen. Tot op heden ontbreekt een volledig beeld van de aard en omvang ervan. 

De paradox der discretionaire ruimte

Deze kennislacune gaat gepaard met een tweede probleem: de ruime discretionaire bevoegdheden van de politie. Controlebevoegdheden kunnen vaak worden ingezet zonder concrete verdenking. In de wet staat bovendien niet precies op basis van welke factoren gecontroleerd mag worden. Enerzijds heeft de politie deze keuzevrijheid nodig, aangezien niet elke situatie in een regel past. Anderzijds kan deze vrijheid een voedingsbodem zijn voor willekeur. Desondanks perkt de Hoge Raad deze bevoegdheid niet in. Volgens de cassatierechter mág etniciteit zelfs meewegen, zolang zij niet de uitsluitende of belangrijkste reden voor de controle is. Dat vormt een hellend vlak. Het is moeilijk te controleren welk gewicht etniciteit in werkelijkheid heeft gehad, te meer de politie geen schriftelijk verslag hoeft te doen van een controle. Bovendien zijn etnische kenmerken dikwijls niet relevant of objectief gerechtvaardigd. De volgende stap is daarom om deze discretionaire bevoegdheid transparant en controleerbaar te maken, zodat zij niet kan worden misbruikt. 

Oplossingen binnen de trias politica

Een veelgenoemde oplossing is het gebruik van stopformulieren. In een dergelijk formulier moeten politieagenten de reden voor het inzetten van een controlebevoegdheid benoemen. In potentie kunnen deze formulieren inzicht bieden in de prevalentie van etnisch profileren. Tegelijkertijd bestaat de kans dat opsporingsambtenaren deze formulieren (onbewust) niet naar waarheid invullen. De formulieren hebben in het Verenigd Koninkrijk niet kunnen voorkomen dat gemarginaliseerde groepen disproportioneel vaker gecontroleerd worden. Onafhankelijke organisaties proberen het probleem te bestrijden met meldingsapps, maar ook die oplossing kent beperkingen. Mogelijk kunnen de wetgevende en rechterlijke macht een tegenwicht bieden. De wetgever kan de grenzen van controlebevoegdheden sterker afbakenen. De Hoge Raad kan via kaderstellende uitspraken de praktijk scherper begrenzen. Uiteindelijk vraagt etnisch profileren om meer dan juridische verfijning alleen. De trias politica moeten samen zorgen voor een cultuur waarin ingesleten vooroordelen steeds minder doorwerken. Pas dan wordt het discriminatieverbod meer dan een wassen neus.

Meer over

Deel dit artikel

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven
Scroll naar top