Theo Hiddema: ‘Op voorhand zou iemand die er een hobby van maakt katten te maltraiteren beter maar niet bij mij kunnen komen.’

Theo Hiddema

Al meer dan 30 jaar heeft Theo Hiddema zijn eigen strafrechtpraktijk in Maastricht en Amsterdam: Advocatenkantoor Hiddema. In grote zelfstandigheid en met een bijzonder persoonsgebonden karakter behandelt hij zo’n driehonderd strafzaken per jaar.

Waarom heeft u ooit voor de studie rechten gekozen en hoe kwam u vervolgens bij het strafrecht uit?

Rechten gaat heel snel en is heel simpel, daar begint het al mee. Als je dan ook nog strafrecht kiest, ben je helemaal snel klaar. Het is een zichzelf versterkend proces: kies een simpele studie en wel het simpelste onderwerp.

Ik zat namelijk in hoge nood (ik had heel lang over mijn middelbare school gedaan) en mijn pa was dat geflierefluit van mij een beetje beu. Toen kreeg ik nog één kans om een studie te doen en heb ik mezelf daarbij eindelijk een keer serieus genomen. Ik ben rechten gaan studeren, omdat ik dacht dat het te behappen zou zijn. Dat was het in die tijd zeker. Je had geen verplichte werkgroepjes en hoorcolleges. Ik heb eigenlijk mijn hele studie gespijbeld in zwembaden, op terrasjes en in jazzcafés.

Het strafrecht sprak me veruit het meeste aan. Ik wilde met mijn meestertitel iets doen waardoor ik volstrekt onafhankelijk zou kunnen opereren. Onafhankelijk van het oordeel van anderen met lange tenen of jaloerse blikken en zonder hiërarchisch verband zoals bij het Openbaar Ministerie of de rechterlijke macht.

Daarbij ben ik graag buiten. Ik zwerf een beetje en wil niet dag in dag uit achter een bureau zitten. Strafrecht is dan ideaal. Op het moment suprême sta je alleen voor de rechter, moet je het zelf doen. Het zijn het puur je eigen, strikt persoonsgebonden capaciteiten en talenten die het moeten bewerkstelligen. In de civiele sector zit je de hele dag achter je bureau en schrijf je rechtsgeleerde teksten, conclusies geheten, en die stuur je naar de cliënt die er niks van begrijpt. Daarna krijg je een conclusie van de tegenpartij waarvan de cliënt ook denkt: wat een hoogstaand debat. Vaak gaat het eigenlijk volledig buiten hun eigen begripsvermogen om.

Het is een ultiem geluksmoment wanneer je helemaal vanuit jezelf, vanuit je eigen hebben en houden, in de vorm van een strikt persoonsgebonden pleidooi iemand uit de misère helpt. Dat geeft de cliënt veel bevrediging, maar jezelf ook.

Weet u nog hoe uw eerste pleidooi ging?

Jawel, dat weet ik nog wel, dat was bij de politierechter. Er was een café-eigenaresse, die had een berucht café aan de kades van de Maas, in de binnenstad van Maastricht. Daar kwam ik weleens, omdat ik ’s nachts pleitnota’s schreef. Dan moest ik mijn zinnen verzetten en ging om een uur of één op pad, even naar dat café. In dat café werd veel gevochten. De eigenaresse deed aan jiujitsu, stond ook altijd in een strak pakje achter de bar en mepte er op los als het moest. Op een dag stapte ze op mij af met een dagvaarding dat ze werd beschuldigd van het mishandelen van een of andere Luikse patroon van de hoertjes die daar toen nog aan de kades bedrijf hielden. Die vent was ze beu en ze had hem een pak slaag gegeven. Vervolgens kreeg ze een dagvaarding, maar de man in kwestie wist niet precies hoe mevrouw heette. Eigenlijk werd ze aan de hand van de verklaring van de Luikse pooier en wat andere hem vergezellende maten omschreven als dader: zijnde iemand van die en die leeftijd, dat postuur en een opvallend blonde pruik. Met die dagvaarding en dat dossier kwam ze naar mij toe.

Tijdens het gesprek kwamen we op de gedachte dat het kon wezen dat er die avond veel meer dames met een dergelijk postuur en pruik hadden kunnen rondlopen. Ik heb een stel getuigen opgeroepen. Ze waren allemaal identiek gekleed met een opzichtig blonde pruik, mocht meneer uitkiezen op de zitting. De politierechter had wel door dat hij bij de neus werd genomen en vond het zo aardig dat hij haar vrijsprak. Daarna ben ik door de hele café-entourage op de schouders gehesen en in triomf het café binnen getild. Dit was mijn eerste strafzaak. Toen dacht ik al: hier ligt een glorieuze toekomst in het verschiet, als het al zo begint.

Tegenwoordig reist mr. Hiddema per trein het hele land door, en heeft een kantoor in Amsterdam en Maastricht. Zijn personeel en administratief centrum zitten in Maastricht, maar mr. Hiddema zit meestal in Amsterdam, om in volstrekte rust en met een mooi uitzicht over de gracht pleitnota’s te schrijven. In Amsterdam worden de krenten uit de pap gehaald en in Maastricht wordt alles verder uitgewerkt. Ondertussen is er veel contact per telefoon, email en fax.

Mijn medewerkers zijn van het hoogste garnituur, maar ik wil ze niet ongezien en zonder af en toe een opbeurend woord op de werkvloer alleen laten. Met strafzaken is dat niet zo ingewikkeld. Er komt namelijk maar weinig correspondentie aan te pas. De klandizie zit vast, dus die schrijven niet en hebben ook geen email, godzijdank. Ik hoop ook dat ze nooit een computer krijgen.

Bent u in aanraking gekomen met de Raad van Discipline. Heeft u enig idee hoe dit komt? Zijn zij zo streng, of bent u zo brutaal?

Ik heb veel pech gehad, ben een paar keer bij de neus genomen. Ik kijk daar niet met vreugde op terug. Ik doe daar wat lacherig over. Dat is de aard van het beestje. Ik vind het ook bespottelijk. Als je iemand schorst, wat ze mij hebben geflikt, dan word je geplaatst in een categorie van advocaten die ook geschorst worden, maar om voor de hand liggende redenen. Het verwaarlozen van hun boekhouding, met de derdenrekening aan de haal gaan of puur valsheid in geschrifte plegen, vonnissen vervalsen om de klant een beetje koest te houden en te verhullen dat je niets hebt gedaan, bijvoorbeeld. Maar zo ben ik nooit aan mijn schorsingen gekomen.

Wat volgt is een gedetailleerd verhaal over de eerste schorsing, waarbij per abuis een psychiatrisch rapport van een cliënt met een dossier aan een journalist wordt meegegeven. De journalist mocht het dossier inzien ten behoeve van het schrijven van een boek. Aansluitend volgt een even gedetailleerd verhaal over de tweede schorsing, waarbij mr. Hiddema een oud-cliënt als ‘addergebroed’ heeft neergezet.

Zijn er zaken binnen het strafrecht die u uit principe niet aanneemt?

Nee, dan is het einde zoek, waar houdt het op? In een enkel geval zeg ik na verloop van tijd: je moet maar een ander nemen. Dit is dan bij querulanten of zeer narcistisch ingerichte personen, die hun eigen mening over hun verdediging belangrijker vinden dan wat ik te melden heb. Wijsneuzen en betweters die bovendien veel aandacht vragen. Zo iemand hangt aan je staart, maar als het misloopt heb jij het gedaan en zullen ze nooit de schuld bij zichzelf zoeken.

Uiteindelijk gaat het om de aard van het beestje en voor het overige kan ik mij niet meteen delicten voorstellen die mij zo met weerzin vervullen dat ik op voorhand weet: bah, dat beneemt me de adem en zet mijn hersens ook in een stilstand, ik kan die man niet met volle kracht verdedigen. Ik vind altijd wel een gaatje. Als strafrechtadvocaat ben je helemaal ingericht op het vinden van sluipwegen en alternatieve scenario’s. Het is een uitdaging om in zo’n ogenschijnlijke pot smurrie toch iets teweeg te brengen waarvan rechters denken: verrekt, zo kun je het ook bekijken. Op voorhand zou iemand die er een hobby van maakt katten te maltraiteren beter maar niet bij mij kunnen komen. Het een heel praktisch puntje, ik houd van katten, maar iets anders kan ik niet verzinnen.

Bestaat er voor u een soort ideale cliënt?

Ja die bestaat zeker. Iemand die zo bewijsbaar gemaltraiteerd is dat het vreselijke delict dat hij heeft begaan, valt te herleiden tot een oorzaak waardoor het aannemelijk is te maken dat hij daaraan geen weerstand kon bieden. Dat is psychische overmacht: een strafuitsluitingsgrond die in Nederland hoogst zelden waardering geniet bij rechters. Dat vind ik de leukste zaken.

Ik heb dit soort zaken wel gehad, maar het komt niet vaak voor dat het ook lukt. Je moet alle feiten op een rijtje zetten. Het geringste detail kan het verhaal van de cliënt maken of breken. Je moet alle ditjes en datjes die verband houden met de feitelijke situatie zo kunnen rangschikken dat het de verklaring van de cliënt, dat hij in noodweer of met psychische overmacht tot die gedraging is gekomen, kan ondersteunen.

Het gaat dus enerzijds om de materie beheersen. Vervolgens moet je ook een heel zuiver psychologisch, naar de mens toe gericht, beeld hebben van hoe de verdachte onder deze omstandigheid niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Je moet als strafrechtadvocaat dus vaak én psycholoog én timmerman zijn, bij wijze van spreken.

Meer over

Deel dit artikel

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top