‘We leven in een tijd waarin utopieën werkelijkheid dreigen te worden,’ aldus rechtsfilosoof Timo Slootweg. In Law and Tragedy, de door hem en Bart Jansen geredigeerde bundel, onderzoekt hij hoe het verlangen naar orde, comfort en pijnloosheid het recht dreigt te ontmenselijken. Volgens Slootweg verliest het recht zijn ziel zodra het geen ruimte meer laat voor tragiek. Wat bedoelt hij daarmee, en hoe kan het recht oog houden voor de werkelijke existentie van de mens?
Waar tijd en eeuwigheid elkaar raken
Slootweg groeide op in een warm rooms-katholiek gezin. Hij ervoer dat geloven om actie vroeg. ‘Ik wilde het serieus nemen,’ zegt hij. ‘Niet zomaar herhalen wat me geleerd werd, maar het ook echt geloven.’ Uit die behoefte aan oprechtheid groeide zijn belangstelling voor het denken; theologische vragen vloeiden over in filosofische. Zijn zoektocht bracht hem eerst naar filosofie, het onveranderlijke, en later naar geschiedenis, het veranderlijke, met kunst als constante onderstroom. ‘Toen kon ik dat allemaal nog niet helemaal plaatsen,’ zegt hij met een glimlach. Retrospectief bleek juist dit al de kern: hoe het blijvende en het veranderlijke op esthetische wijze met elkaar verweven zijn. Slootweg schreef zijn proefschrift over historisch besef; een verplichtend kennen. “Ik wilde begrijpen hoe geschiedenis richting kan geven.” Niet lang na de afronding van dit met ethiek doordrenkte werk klopte de Leidse universitaire rechtenfaculteit bij hem aan.
Het recht leven inblazen
Zo kwam Slootweg in de wereld van rechtsfilosofie terecht; niet als jurist die over filosofie nadacht, maar als filosoof die zijn blik op het recht richtte. ‘Dat brengt je toch op andere vragen.’ In eerste instantie was dat zoeken: ’Het recht leek zich te onttrekken aan filosofisch denken.’ Dat veranderde toen hij op het werk van de Amsterdamse rechtsgeleerde Paul Scholten stuitte. ‘Dat was een openbaring’. Scholten besprak dat de rechter beslissingen dient te maken, met “een geweten gebonden aan de persoon van de naaste” : de concrete ander, die als zodanig nooit volledig onder een algemene regel te vangen is. Zo wordt recht geen kwestie van regels toepassen, maar van mensen erkennen. En wordt het oordeel geen technische conclusie uit wet en feiten maar een beslissing in existentiële zin. ‘Het goede toont zich pas in de sprong van de beslissing.’ Recht is een vorm van kunst, zo meent Scholten.
‘We moeten leren standhouden in de openheid van het zijn en de woorden.’
Slootweg herinnert zich hoe hij hierin verwantschap zag met het existentialisme van Kierkegaard en Nietzsche: de mens niet slechts als uitvoerder van een rationeel systeem, maar als een schepper die zijn vrijheid draagt. Vanuit dat existentiële mensbeeld, waarin vrijheid onlosmakelijk verbonden is met verantwoordelijkheid, kijkt Slootweg ook naar het recht van nu. Law and Tragedy begint bij Brave New World, Huxley’s roman over een wereld waarin ongemak, pijn, twijfel en verantwoordelijkheid zijn uitgebannen. Deze essentiële dimensies van menselijkheid zijn ingeruild voor comfort en controle. ‘Dat boek is geen dystopie,’ legt Slootweg uit, ‘maar een waar geworden utopie, iets waar wij als mensen, ook in hoe we recht vormgeven, soms naar lijken te streven.’ En dat is volgens hem precies het gevaar: ‘Een recht dat geen ruimte laat voor twijfel of tragiek, verliest zijn ziel, en daarmee zijn menselijkheid.’ Het maakt van de rechter een technicus, die niet in staat is te “springen”.
De kracht van ongemak
Wat bedoelt Slootweg precies met die tragische dimensie? ‘Tragedie betekent niet pessimisme, maar aanvaarding van eindigheid en onvolmaaktheid,’ antwoordt hij. De tragische mens zoekt niet het geluk of volmaaktheid, maar authenticiteit. ‘Hij weigert op te gaan in het zogenaamd gemeenschappelijk goede.’ Met die gedachte keert Slootweg zich tegen zowel het juridisch positivisme als het moralistisch natuurrecht. “Beide zoeken zekerheid buiten de mens. Rechtvaardigheid ontstaat echter pas waar iemand de verantwoordelijkheid neemt om te oordelen zonder die houvast.”
‘Geen democratie zonder democraten.’
‘Taal kan zowel ontsluiten als afsluiten.’ Wetenschappelijke taal objectiveert en maakt de werkelijkheid vlak en eenduidig. Poëzie en literatuur openen de wereld; ze tonen wat je ontgaat zolang je gevangen zit in technische categorieën, die de werkelijkheid bevriezen. Ook democratie vraagt om die tragische openheid. ‘Democratie is geen systeem dat ooit af is,’ zegt Slootweg. Ze leeft van de bereidheid van burgers om onvolmaaktheid te verdragen; ‘Geen democratie zonder democraten.’ Dat vraagt om de moed om te zijn. ‘Het mag ons niet frustreren dat onze oplossingen steeds voorlopig en onbevredigend zijn,’ besluit hij, ‘maar we moeten leren standhouden in de openheid van het zijn en de woorden’.
Moed om mens te zijn
Wat betekent dit voor juristen en studenten? Goed onderwijs confronteert je met de werkelijkheid die nooit zomaar inpasbaar is. ‘Ongelijke gevallen moet je ongelijk durven behandelen, en dus ook als zodanig kunnen onderscheiden, dat vraagt om verbeeldingskracht, empathie en geweten.’ Daarom ziet hij filosofie en literatuur als noodzakelijke vorming. De rechtenstudie is volgens hem tezeer op de praktijk gericht, en te weinig op reflectie. ‘Waarom zou je wachten tot je pensioen om over deze dingen na te denken?’. Een leven dat niet overdacht is, noemde Socrates al ‘een mislukt leven’. ‘Als je nadenkt over wat je doet, verandert wat je doet. Je werk wordt bezield en je beslissingen menselijker.’ Dus: ‘Verbreed je kennis niet alleen, maar verdiep haar, het verandert je wezenlijk en in je handelen zal dit afstralen.’


